Lier - Duwijck

De  Provinciale Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen (POM) plant een verdere uitbreiding van het bedrijventerrein Duwijck in Lier.  In september 2010 werd de zone Duwijck II daartoe onderworpen aan een archeologisch proefsleuvenonderzoek, uitgevoerd door GATE bvba. Tijdens dit vooronder- zoek, over een oppervlakte van ca. 20 ha, werden naast een mogelijke steentijdoccupatie tevens aan- wijzingen gevonden van bewoning uit de ijzertijd, Romeinse periode en volle middeleeuwen. Enkele zones werden afgebakend voor verder, vlakdekkend onderzoek.


lier wegkofferIn de maanden januari en februari 2011 vond het onderzoek aan de wegkoffer plaats. Ondanks de soms wat moeilijke leesbaarheid van de archeologische sporen in de zandleembodem, kon het beeld uit het vooronderzoek bevestigd worden. De aanwezigheid van paalkuilen, kuilen, grachten en twee waterputten geeft een eerste indruk van bewoning op de zandleemrug. Het merendeel van deze sporen blijkt, op basis van het aardewerk en enkele 14C- dateringen, te dateren tot de midden- en  late ijzertijd. De verwerking van dit deel is nog bezig.


Begin september 2011 ging de tweede fase van het vlakdekkend onderzoek van start, en loopt tot op heden door. Het resterende op te graven gebied wordt in een aantal afzonderlijke zones onderzocht, waarvan ongeveer de helft reeds kon worden afgewerkt. Het gaat zowel om zones met een hoge densiteit aan sporen, zoals vlakken 3 zuid en 7 noord, als zones met lagere sporendensiteit (vlakken 2 en 3 noord).

waterput vlak 3 lierDe vlakken 2 en 3 zuid tonen voornamelijk een voortzetting van de ijzertijdbewoning die ook reeds in de wegkoffer was aangesneden. In de palenconcentraties van vlak 3 zuid kunnen meerdere spiekers en minstens één hoofdgebouw, van het Haps- type, worden herkend. Op vlak 2 betreft het een 6- posten spieker. Verder kwamen op vlak 3 zuid nog twee waterputten aan het licht, waarvan één meerdere fases blijkt gekend te hebben.


Het noordoostelijke deel van het projectgebied (vlak 7) toont de aanwezigheid van een Romeinse bewoning op de zandleem. Het betreft een zone met meerdere gebouwen van het Alphen- Ekeren type evenals een iets later type met kruisvormige plattegrond. De gebouwen kennen een NO- ZW oriëntatie, net als de gracht die hen flankeert. Mogelijk gaat het om de afbakening van een erf. De recent bloot gelegde paalkuilen op vlak 4 wijzen dan weer in de richting van een middeleeuwse bewoning. Deze zone wordt nog verder onderzocht. De vlakken 5 en 6 kunnen worden gezien als overgangszones tussen de ijzertijd- en Romeinse woon- zones. Ze worden voornamelijk gekenmerkt door grachtensystemen, waaronder ook middeleeuwse grachten. Ook sporen uit WO I, onder de vorm van loopgrachten, kwamen er aan het licht.De laatste zones worden momenteel opengelegd. Vlak 4 wijst zeker al op de aanwezigheid van ten minste één waterput, een aantal grachten en een mogelijk middeleeuws erf.  Een verdere uitbreiding van vlak 7 moet meer inzicht verschaffen in de afbakening van de Romeinse bewoning in deze zone.

silex lierDeels gelijklopend met het onderzoek van de wegkoffer vond in een afgebakende zone van het projectgebied een archeologisch booronderzoek plaats. De toevalsvondst van enkele lithische artefacten tijdens het proefsleuvenonderzoek uit 2010 in het projectgebied Lier-Duwijck II leidden in het voorjaar van 2011 tot de uitvoering van een karterend en evaluerend onderzoek in een artificieel afgebakend onderzoeksgebied van ca. 5800 m². Via manueel uitgevoerde boringen in een dicht boorgrid werd de aanwezigheid van een prehistorische vindplaats bevestigd in de vorm van lithische artefacten, verkoolde hazelnootschelpen en verbrand bot. De vondst van een microlietfragment (i.e. onderdeel van een pijl) en de aanwezigheid van specifieke grondstoffen (i.e. Wommersomkwartsiet) suggereren tenminste de aanwezigheid van een vindplaats uit het mesolithicum (ca. 11.000-5000 jaar geleden). De resultaten van dit booronderzoek zijn opgenomen in onderstaand basisrapport.


Het booronderzoek heeft een eerste, algemeen inzicht opgeleverd met betrekking tot de lokalisatie, ruimtelijke spreiding, ouderdom en samenstelling van de vindplaats. De mate waarin de vindplaats is verstoord, kon met het booronderzoek echter nog niet betrouwbaar worden vastgesteld. Vooraleer (de kost verbonden met) een in- of ex-situ bewaring van de vindplaats kan worden verantwoord, dient eerst dit inzicht te worden verkregen. Op basis van de afwezigheid van een duidelijke horizontale clustering van de vondsten, het ruime gebied waarin ze werden aangetroffen en het quasi ontbreken van betrouwbare informatie omtrent de integriteit van de bodemopbouw werd daarom een aanvullend waarderend onderzoek door middel van proefputten geadviseerd voorafgaand aan een eventuele opgraving van (delen van) deze vindplaats. Ook dit vervolgonderzoek werd door GATE uitgevoerd, in het najaar van 2011 en het voorjaar van 2012.